Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website gebruikt cookies en verzamelt daarmee informatie over het gebruik van de website om deze te analyseren en om er voor te zorgen dat je voor jou relevante informatie en advertenties te zien krijgt. Door hiernaast op akkoord te klikken, geef je aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies en het verzamelen van informatie aan de hand daarvan door ons en door derden.

Akkoord
Niet akkoord
Dierenkliniek zamenhofdreef honden

Het gebeten baasje

Per jaar worden in Nederland zo’n 40- tot 50.000 mensen door hun huisarts en/of op de EHBO-afdeling van een ziekenhuis behandeld voor een bijtwond.

In negentig procent van deze gevallen gaat het om een hondenbeet, die vooral voorkomen bij mensen jonger dan dertig jaar. De wond is meestal in de hand of de arm, en kinderen worden vaker in het gezicht gebeten.

Aanleiding voor dit onderwerp is dat tot ongeveer 20 procent van de bijtwonden door honden en tot 50 procent of meer van die door katten bij niet adequate behandeling ontstoken raakt. Omdat ik aanneem dat de lezers van dit artikel veel met dieren in aanraking komen kan het handig zijn om zelf iets te weten over wondbehandeling bij honden- en/of kattenbeten. Als de wond meteen tijdig en adequaat behandeld wordt kan dat veel ellende voorkómen.

In 85 procent van de bijtwonden zijn vóór de wondbehandeling ziekteverwekkende bacteriën aanwezig. Voor de behandeling van bijtwonden bij de mens is een algemene richtlijn, een protocol, voorgesteld. Deze geeft criteria wanneer antibiotica gegeven zouden moeten worden ter voorkoming van een wondinfectie. Er wordt dan gekeken naar de diepte, de grootte, de plaats en de ouderdom van de wond. Ook moet er gekeken worden of de gebeten patiënt tot de risicogroep behoort (mensen met verminderde weerstand of met suikerziekte). Artsen zijn het echter nog lang niet eens over het preventief gebruik van antibiotica, en protocollen wijzigen mede daarom regelmatig.

Het voorkomen van een hondenbeet

Het is belangrijk als we het aantal bijtincidenten willen verminderen dat honden goed worden opgevoed. Het voorkómen van bijtincidenten begint al bij de opvoeding van een pup. Door een goede socialisatie moet de hond leren om te gaan met allerlei situaties zodat hij zich netjes kan gedragen in onze drukke maatschappij. De kans op angstagressie kan door een goede socialisatie een stuk verminderd worden.

Iedere hond moet leren wat wel en wat niet mag. Basisoefeningen (bijv. het bij de baas komen op commando, of kijken op commando) kunnen een hoop narigheid voorkómen. Ook de manier waarop de eigenaar leiding geeft aan zijn hond speelt een rol in het voorkomen van probleemgedrag. Aan te raden is een hondencursus, waar beestje en baasje elkaar leren begrijpen. Eigenaar zijn van een hond kan iedereen, een baasje zijn moet je verdienen!

Iedere hond wil graag leiding. Doordat hij niet zelf allerlei beslissingen hoeft te nemen geeft dat de hond rust. Niet alleen grote, sterke honden hebben een baas met overwicht nodig om problemen te voorkomen: juist een hond(je) dat van zichzelf onzeker is, heeft een duidelijke leider nodig die hem veiligheid geeft en op wie hij kan terugvallen en onvoorwaardelijk kan vertrouwen.

Je kunt door je manier van doen en houding respect afdwingen (denk maar aan een generaal in het leger). Het is uiterst belangrijk dat u duidelijk en consequent bent naar uw hond . Bedenk goed welke regels u wilt laten gelden en hou u daar consequent aan. Zorg er voor dat zijn gehoorzaamheid de hond iets oplevert: beloon gewenst gedrag consequent! Gedrag dat voor de hond nergens toe leidt, zal hij uiteindelijk opgeven.

Als er toch probleemgedrag ontstaat, zijn er gelukkig veel manieren om hier iets aan te doen. Grijp op tijd in en zoek indien nodig hulp bij een hondengedragstherapeut.

Tips voor mensen die bang zijn voor honden:

  • Vraag de eigenaar bij loslopende honden om de hond aan te lijnen. Laat weten dat u bang bent.
  • Staar een hond nooit aan! Een hond aanstaren kan door de hond als een provocatie worden gezien. Probeer naar zijn staart te kijken zodat u kunt zien wat de hond doet.
  • Maak geen onverwachte bewegingen: hierop kan de hond reageren. Ook rennen is zo’n beweging. Honden vinden het leuk om ergens achteraan te rennen. Wanneer u stilstaat en wegkijkt, stopt de hond vaak ook. U bent dan niet meer interessant voor de hond.
  • Probeer de hond zoveel mogelijk te negeren, dus: niet roepen, geen handen uitsteken of de hond proberen weg te duwen. Doe net alsof de hond niet bestaat. Draai uw lichaam een beetje weg van de hond.
  • Als u op visite gaat bij mensen die een hond hebben, vraag hen dan van te voren of ze de hond in een andere kamer kunnen zetten of aan kunnen lijnen in de kamer. Leg uit dat u de hond eng vindt. Zo word u niet besprongen en voelt u zich veiliger. Honden die naar u toe komen zijn vaak gewoon nieuwsgierig. Snuffelen is voor een hond een normale manier om kennis te maken. Veel honden hebben geleerd dat tegen iemand opspringen hen aandacht oplevert. Dit gedrag kan voor u vervelend zijn, maar hoeft zeker niet te betekenen dat de hond u kwaad wil doen.
  • Probeer u te verdiepen in de lichaamstaal van de hond zodat u het dier beter kunt begrijpen.

Uiteraard is er voor de eigenaren van honden een taak weggelegd dat onze honden geen aanleiding geven voor mensen die er niet vertrouwd mee zijn om angstige gevoelens op te wekken! In ons druk bevolkte landje moeten we nou eenmaal rekening houden met elkaar!

Wat zie je?

Bij kattenbeten is er vaak sprake van diepe steekkanalen (scherp trauma). Veel hondenbeten geven blauwe plekken, weefselversterf en grillige wondranden (stomp trauma). Er kunnen ook grote open wonden zijn, waarbij eventueel pezen of zenuwen worden geraakt. Het is altijd van belang dat deze wonden direct goed worden verzorgd, om littekens of andere blijvende schade zoveel mogelijk te beperken. Diepe wonden en wonden aan ledematen kunnen gemakkelijk infecteren. Als het goed is zal de arts zal u adviseren deze wonden open te houden. In sommige gevallen kunnen verwondingen in het gezicht wel direct gehecht worden. 

Wat kunt u zelf doen?

Het is aan te bevelen om met iedere hondenbeet naar een arts te gaan, hoe onschuldig de beet op het eerste zicht ook lijkt. Het is namelijk mogelijk dat de wond dieper is dan u in eerste instantie denkt. Daarnaast bestaat bij elke hondenbeet een kans op een infectie. Een snelle behandeling van bijtwonden kan vaak infecties voorkomen. Als u niet direct bij een arts terecht kunt, kunt u zelf het volgende doen aan EHBO:

  • De wond reinigen met veel (lauw) stromend kraanwater
  • Gebruik voor de reiniging van een diepere wond nooit irriterende ontsmettingsmiddelen. Dit kan de omringende weefsels beschadigen.
  • Oppervlakkige wonden kunnen wel ontsmet worden met jodium of sterilon, spoel eventueel na met water of een fysiologische zoutoplossing
  • Diepe steekwonden kunt u het beste open laten. Dit zijn o.a. wonden waarbij de hoektanden van het dier de huid hebben doorboord.
  • Grote wonden kunt u afdekken met een steriel gaasje en een nat verband. Maak hierna voor de zekerheid een afspraak met de arts om de wond te laten beoordelen!

Tetanus

Tetanus is een acute infectieziekte veroorzaakt door een gifstof die de bacterie Clostridium tetani maakt. De ziekte tetanus komt wereldwijd voor, meestal bij pasgeborenen die worden besmet door onvoldoende hygiëne bij het doorknippen van de navelstreng. De meeste andere gevallen komen door grotendeels buitenshuis opgelopen verwondingen. Bij onvoldoende immuniteit van de gastheer kan de ziekte tetanus ontstaan.

Clostridium tetani is een grampositieve sporenvormende anaërobe bacterie. Anaëroob wil zeggen dat hij goed gedijt in een zuurstofarm milieu. De incubatietijd varieert van één dag tot enkele maanden, maar bedraagt meestal 3 tot 21 dagen. De incubatietijd is langer als de wond kleiner en minder besmet is en als de afstand van de wond tot het centrale zenuwstelsel groter is. Tetanus is niet besmettelijk van mens op mens.

De ziekte begint meestal met niet-specifieke klachten, zoals hoofdpijn en spierstijfheid in de kaken. Vervolgens treden binnen drie dagen specifieke verschijnselen op, die lokaal of algemeen kunnen zijn.

Bij de plaatselijke vorm treedt alleen stijfheid op in het gebied van de verwonding die gedurende vijf tot zeven dagen aanhoudt. Hierna nemen de klachten af en verdwijnen na ongeveer twee weken. Soms zie je een temperatuursverhoging.

Bij de algehele vorm (in circa 80% van de gevallen) kun je toenemende en constante heftige spierkrampen van de rug en overige spieren. Actief bewegen van spieren en prikkels als geluid, kou en strelen kunnen heftige, zeer pijnlijke spierkrampen uitlokken. De ademhaling wordt bemoeilijkt door krampen van het strottenhoofd, wat te weinig zuurstof in het bloed kan geven. Het centrale zenuwstelsel kan hierdoor zo veel schade oplopen dat de patiënt sterft. Het doormaken van de ziekte geeft nooit immuniteit. Er zijn in de literatuur patiënten beschreven die tweemaal tetanus hebben gekregen. Alleen door vaccinatie opgewekte antistoffen tegen het toxine geven bescherming. Na herstel moet de patiënt dus alsnog worden gevaccineerd. De afgelopen tien jaar is in Nederland slechts één geval van tetanus met dodelijke afloop gezien; dit was kind van vier jaar dat niet ingeënt was.

Voorkómen van tetanus gebeurt uitsluitend door in te enten. Een basisenting of hervaccinatie met tetanusgifstof beschermt zo goed als 100% in de volgende tien jaar na de enting, maar waarschijnlijk langer. Het schema van de basisenting bestaat (bij personen ouder dan een jaar) uit twee vaccinaties met een maand tussenruimte, gevolgd door een derde injectie een half jaar na de tweede enting. Doordat er vaker verwondingen opgelopen worden en intensief contact met besmet materiaal kan zijn is voor mensen die intensief met dieren omgaan (werkzaam bij hondenschool, dierenkliniek, manege (paardenmest is een zeer beruchte overdrager van tetanus!) het advies om elke tien jaar standaard opnieuw te enten tegen tetanus.

Capnocytophaga canimorsus, een nare bacterie

Een studie van A.M.H. Kramer en D.J. Houwers heeft in de laatste jaren meer inzicht gegeven in een bacteriële infectie die bij bijtwonden op kan treden en niet alleen zeer ernstige lokale maar zelfs levensbedreigende consequenties kan hebben (bij de bacterie Capnocytophaga canimorsus). Een adequate wondbehandeling is bij alle bijtwonden zeer belangrijk, maar bij infectie met Capnocytophaga canimorsus zelfs van levensbelang.

De eerste symptomen van een wondinfectie door Capnocytophaga canimorsus zijn meestal weinig specifiek: braken, diarree, spierpijn en je algemeen ziek voelen. Er kan rondom de wond bloedstolling optreden waardoor weefsel rond de wond afsterft. Dit kan zo ernstig zijn dat soms amputatie noodzakelijk kan worden. Als de infectie zich uitbreidt, zijn er huidveranderingen zien (o.a. roodheid, puntbloedinkjes) en symptomen als acuut nierfalen, acute ernstige benauwdheid en zelfs shock.

In feite kunnen allerlei organen ernstige schade oplopen als gevolg van de optredende bloedstolling in de aderen. Alarmerend is dat dertig procent van de mensen waarbij een Capnocytophaga canimorsus infectie is vastgesteld sterft, ondanks ingrijpen van artsen! De bacterie werd bij 16 procent en 18 procent van de onderzochte honden en katten in het mondslijmvlies aangetroffen. In werkelijkheid zullen deze percentages hoger uitvallen omdat de bacterie zich moeilijk laat isoleren uit de totale mondflora. Derhalve wordt verondersteld dat Capnocytophaga canimorsus tot de normale mondflora van honden en katten behoort. Een infectie met Capnocytophaga canimorsus kan dus tot stand komen via een kattenkrab, bijtwonden of het aflikken van je hond van huidwondjes! De incubatietijd van een infectie met Capnocytophaga canimorsus door een bijt- of krabwond kan variëren van twee á drie dagen tot zelfs twee á vier weken.

Het stellen van de diagnose is niet eenvoudig. Twijfel dan ook niet om bij een verdenking van infectie van een bijtwond deskundige hulp in te roepen! Voor de behandeling van Capnocytophaga canimorsus infecties bij mensen worden meestal amoxycilline clavulaanzuur of doxycycline als eerste keus gebruikt. Antibiotica is echter nooit 100 procent effectief. Het resultaat hangt af van hoe snel het wordt gegeven en de algehele conditie van de patiënt. De behandeling moet uiteraard zo snel mogelijk worden gestart.

Bijtwonden en antibiotica

In het algemeen is de kans op een wondinfectie bij een bijtwond groot. Een wondinfectie veroorzaakt behalve fysieke schade en ongemak ook extra kosten door een langer durende behandeling en eventueel langer werkverzuim en uiteindelijk een grotere kans op restverschijnselen/functieverlies. De adder onder het gras in de vorm van Capnocytophaga canimorsus hoeft na het voorgaande verhaal geen betoog meer!

Wondinfectie is vooral een gevaar voor mensen met bepaalde risicoverhogende factoren, maar toch ook voor gezonde personen. De kans op het oplopen van de infectie is op het eerste zicht niet zo hoog, maar hier tegenover staan echter wel ernstige consequenties als de infectie niet snel genoeg onderkend en behandeld wordt.

In principe is een groot deel van alle bijtwondinfecties, inclusief die door Capnocytophaga canimorsus, te voorkomen door een adequate wondbehandeling bestaande uit onmiddellijk uitspoelen met veel water en bij oppervlakkige wonden desinfecteren met jodium. Bij diepere wonden dient de wond door een arts te worden behandeld, gevolgd door het aanbrengen van een nat verband en het geven van rust (bijvoorbeeld mitella). Tenslotte moet, afhankelijk van de omstandigheden, een adequate antibioticumkuur worden overwogen om wondinfectie te voorkomen. Volgens de eerdergenoemde richtlijn wordt een preventieve antibioticumkuur gegeven bij bijtwonden aan handen of gezicht, bij wonden ouder dan dan acht uur of als er sprake is van risicoverhogende factoren bij de patiënt. In de andere gevallen, bijvoorbeeld bij een ondiepe bijtwond in weke delen wordt geen kuur voorgeschreven. Huisartsen kunnen erg terughoudend zijn met het voorschrijven van antibiotica. Dit kan er toe leiden dat in bepaalde gevallen een preventieve- of genezende antibioticumkuur niet voorgeschreven wordt, hoewel dat eigenlijk wel geïndiceerd zou zijn.

et is verstandig om elke bijtwond een zorgvuldige wondbehandeling te geven en goed af te wegen of een antibioticumkuur nodig is. Bij bijtwonden waarbij al verschijnselen van wondinfectie te zien zijn is antibioticumtherapie zonder meer aangewezen. Indien tot het toepassen van antibiotica wordt besloten dan is bijvoorbeeld amoxycilline met clavulaanzuur een goede keus gezien het brede spectrum (inclusief Capnocytophaga canimorsus)

Bronnen: Tijdschrift voor Diergeneeskunde, april 1999, RIVM

Tips voor links:

www.blauwe-hond.nl

www.minderhondenbeten.nl

Copyright © Dierenkliniek Zamenhofdreef | Webdesign: Studio EVG - Eveline van Ginneken